| Kwesties & andere zaken
| Artikelen



afb. 35
| Is the sky the limit of de museumdrempel
| Musea moeten samenwerken
| Toekomst van de musea ligt bij de rollator
| De yeepies in het museum


Toekomst van de musea ligt bij de rollator (8 november 2002, NRC Handelsblad)

De laatste jaren is een enorme inhaalslag gemaakt om kinderen, jongeren en allochtonen het museum binnen te krijgen. In navolging van de laatste twee subsidieverstrekkers, de staatssecretarissen Nuis en Van der Ploeg, is de museumwereld braaf ingesprongen op deze doelgroepen. Bijt immers nooit de hand die je voedt. Kosten noch moeite werden bespaard. Iedere instelling doet inmiddels zijn stinkende best om iets 'leuks' te bedenken voor de kids of Nederlanders met een binationale achtergrond. De meest infantiele ideeën worden aan het papier toevertrouwd en subsidieverstrekkers gaan er gretig op in. Veel plannen zijn gerealiseerd, slechts weinige echt geëvalueerd.

Talloze musea zoeken de thrill die nodig schijnt te zijn om jongeren aan te spreken in de toepassing van nieuwe media, zonder dat zij weten of dat het gewenste effect oplevert. Er worden kapitalen besteed aan de ontwikkeling van spelvormen op cd-rom of internet, die na enige tijd veel saaier blijken te zijn dan de echte objecten in de vaste opstelling. Zeer weinig jongeren nemen daadwerkelijk de moeite om in het museum een spel op de computer te spelen. In de meeste gevallen worden een paar knoppen aangeraakt vanwege de aantrekkingskracht van apparaat en knop, net zoals men in het voorbijgaan een poes een aai geeft - daar blijft het bij. De computerspelletjes in de musea zijn onvergelijkbaar met al het snelle en spannende spul dat gewoon bij Bart Smit in de schappen ligt. Het is ook leerzaam het gastenboek eens door te bladeren. De hoeveelheid hierin geopenbaarde onzin overtreft de stoutste verwachtingen; een chatbox voor tieners is er niets bij.

Het lijkt wel of het hier gaat om de belangrijkste doelgroep van de musea. Natuurlijk is het van belang jongere generaties kennis te laten maken met het museum omdat zij het zijn die de toekomst van het instituut in handen hebben.

Zij zullen het later moeten betalen, is de veelgehoorde kreet. Gelukkig dat zij het niet nu, maar pas later moeten betalen, wanneer het geen jongeren meer zijn, maar mensen met een leeftijd van een potentiële museumbezoeker. Het is een open deur dat jongeren, en dan bedoel ik de groep van de pre-pubers tot adolescent, het museum à tout prix willen blijven zien als een stoffige bedoening waar de saaiheid regeert: typisch iets voor ouderen dus.

De woorden integratie en allochtonen verstikken het publieke debat, ook in museumland. Waarom aanvaarden we niet gewoon dat nieuwe Nederlanders vooralsnog te veel andere zaken aan hun hoofd hebben om een bezoek aan een museum te overwegen. Hun prioriteit is een economische. Eenmaal geslaagd in de samenleving, heeft men de ruimte in hoofd en hart om de aandacht te verleggen. In het gunstigste geval is het meteen raak, normaal gesproken vergt een dergelijk proces twee tot drie generaties. Dat is niets nieuws, dat is al eeuwen zo. Integratie is een kwestie van geleidelijkheid.

Het onderwijs speelt een cruciale rol in integratie en cultuurparticipatie. Daar ligt de sleutel. Alle middelen moeten worden aangewend om de onderwijsinstellingen optimaal te laten samenwerken met de musea. Dat betekent ruimte in de curricula en voldoende geld. De pogingen van musea blijven letterlijk kinderspel wanneer die samenwerking te wensen overlaat of achterwege blijft.

De kinderhype heeft slechts geleid tot een marginale stijging van het aantal jongere bezoekers. Zeker wanneer men dit relateert aan de geïnvesteerde hoeveelheid tijd en geld die het musea heeft gekost om iets voor de doelgroep te verzinnen. Laten we dus stoppen met het opleuken en verpretten van alles en nog wat.
 Het wordt tijd kinderen en pubers niet meer voor van alles bij de hand te nemen en het tellen van de hoofddoekjes bij de kassa achterwege te laten. De musea gaan namelijk een florissante toekomst tegemoet; hun harde doelgroep groeit dagelijks. De demografische ontwikkeling is ontegenzeggelijk in het voordeel van de musea.

De babyboom treedt langzamerhand toe tot het gilde der pensionados. In 2010 zijn in Nederland 6,7 miljoen vijftigplussers, dat zijn er nu al 4,8 miljoen; een stijging van 1,9 miljoen. Dit is bovendien meestal de leeftijd waarop de financiën op orde zijn, de kinderen de deur uit, en de carrière wordt afgebouwd. Het aantal nog werkende mensen in die leeftijdscategorie neemt af. Kortom, de babyboom krijgt veel vrije tijd en heeft voldoende zakgeld om alle dromen te verwezenlijken.

De concurrentie in de vrijetijdsindustrie voor deze groep behelst veel meer dan de pretparken. Ook het dagje golfen, de fiets- of wandeltocht of een bezoek aan een blockbuster in Parijs en Londen zullen in de toekomst wedijveren met het museum om de gunst van deze veeleisende en verwende bezoeker. Aan de interesse van deze groep voor de inhoud van de musea hoeven we niet te twijfelen; terugblikken, nostalgie en oorspronkelijkheid zijn begrippen die met het ouder worden immers een andere betekenis krijgen. Het museum zal speciale producten moeten ontwikkelen, onder meer gericht op het actief delen van de kennis.

Het museum zal zich ook moeten instellen op een groeiende groep klanten met gebreken. Dat vereist organisatorische en logistieke veranderingen. Wat te denken van het fenomeen rollator. Rond de eeuwwisseling werden in Nederland door de ziektekostenverzekeraars ruim honderdduizend rollators per jaar verstrekt. Naar verwachting zal dat aantal de komende decennia spectaculair toenemen omdat dit populaire hulpmiddel veel vaker wordt voorgeschreven aan een snel groeiende groep ouderen.

Het gebruik van de rollator is dus niet alleen meer voorbehouden aan hoogbejaarden in verzorgingstehuizen - zie de vergrijsde buurten, winkelcentra of het concertgebouw in Amsterdam op de abonnementsavonden. De impact van de rollator op de ruimte is goed te zien. Ook de musea zullen hier in de toekomst rekening mee moeten houden, willen zij in 2020, wanneer één op de vijf Nederlanders 65-plus is, hun belangrijkste doelgroep naar behoren bedienen.

De babyboom-generatie heeft niet alleen in museumland de toekomst. Tot 2030 zijn zij ook van enorm economisch en consumptief belang. Zo is viervijfde van alle aandelen in de Verenigde Staten in het bezit van vijftigplussers. Zij hebben binnenkort alleen maar vrije tijd, veel geld en zijn gewend, anders dan hun ouders, om dat geld ook uit te geven. Er is dus werk aan de museumwinkel voor de ware réalisateurs des rêves en marketeers.

Rob van Zoest is kunsthistoricus en directeur van Kunsthistorisch bureau D'ARTS